Palperen, de basis van masseren

Met palpatie onderscheiden we normaal, soepel spierweefsel van spierweefsel dat ‘vast zit’ of waarin zich triggerpoints bevinden. Palpatie kan ook helpen bij het vinden van de bron van de pijn. Onze handen vertellen ons de ligging van de gewrichten, over de huid en lichaamstemperatuur en over de energie of ‘flow’ van het lichaam. Door middel van goede training en oefening kunnen onze handen de onderhuidse structuren ‘zien’. De spieren, het skelet en de organen. In het massagevak zijn onze handen onze belangrijkste gereedschappen zolang we ons trainen om de nuances van diverse aanrakingen te voelen en om deze in te zetten.

 

Kennis en Kunde

Het trainen van de handen begint met je bewust te worden van je handen. Oefen met het bewuster worden van je handen. Het blijven oefenen in de verbinding tussen je handen en je hoofd is de sleutel tot succes. Dit geld niet alleen bij het aanraken van lichamen, maar voor elke aanraking. De hele dag door. Raak aan met aandacht. Alle aanrakingsontdekkingen beginnen met een nieuwe focus.

Een tweede essentiële vereiste om je palpeertechnieken te ontwikkelen is een duidelijk beeld te hebben van het gepalpeerde weefsel. Dit kan niet sterk genoeg benadrukt worden. Je moet heel duidelijk de anatomische structuur kunnen visualiseren als je aan het palperen bent. Daarvoor is het noodzakelijk de anatomie van de mens te bestuderen.

Een sterke kennis van het bottenstelsel en de aanhechtingen, richting van de weefsels en de functie van elke spier is essentieel. Begin met kennis, het idee, het beeld en train je handen om dat te ‘zien’ wat je weet wat er is.

Gezond spierweefsel is zacht, soepel en meeverend. De onderliggende structuren zijn makkelijk te palperen door zo’n spier. Bij gezonde spieren doet palperen geen pijn.

Als je gaat palperen kom je spierweefsel tegen dat wat steviger aanvoelt; minder verend als een soepele spier. Dit weefsel voelt harder en steviger dan het omliggende spierweefsel. Hierdoor is een sterke, stevigere aanraking nodig om zo de onderliggende structuren te kunnen palperen. Een steviger palpatie kan voor je cliënt minder prettig aanvoelen. Dit noemen we een gespannen spier.

De mate van spanning is afhankelijk van de samentrekking van de spier. Als een spier zich in een samengetrokken positie bevindt, kunnen de weefselgroepen die deze spier vormen worden ontdekt en onderscheiden.

Er kunnen in zo’n spier strak aangespannen weefselbanden zitten. Dit strakgespannen weefsel kan als een draad of touw (kabel) aanvoelen. Ze kunnen weerstand geven en onprettig aanvoelen voor de cliënt als er druk op wordt uitgeoefend. Daarbij kun je door palpatie een bepaalde plek binnen dit gespannen weefsel ontdekken die voor de cliënt extra pijnlijk aanvoelt bij aanraking.

Voor de therapeut voelt deze plek harder en vaster dan de omliggende gebieden. Deze plek wordt omschreven als een triggerpoint. Als een triggerpoint wordt gepalpeerd kan dit zeer gevoelig zijn voor de cliënt. Daarbij kan druk op deze plek het gloeiende pijnpatroon opwekken. Deze gloeiende pijn is een onderscheidend kenmerk van een triggerpoint.

In tegenstelling tot een gedeeltelijk samengetrokken spier blijft een volledig samengetrokken spier in de extreem samengetrokken positie staan. Deze samentrekking kan ontstaan door een neurologische aandoening, een chronische belastende lichaamshouding, een trauma of langdurige/ herhaaldelijke extreme belasting.

In het geval van een samentrekking neemt de circulatie van de spieren af waardoor de spieren meer vezelachtig worden en minder elastisch. De spier groeit vast in een verkorte positie. Triggerpoints kunnen al dan niet aanwezig zijn; de pijn en dysfunctie zullen waarschijnlijk bijdragen aan een verminderde bewegingsmogelijkheid. De aandoening kan chronisch worden en volledig herstel wordt onwaarschijnlijk. Met herhaaldelijke sessies kan de therapeut deze eigenschappen van de spier ontrafelen.

Als je palpeert is het essentieel om botstructuren te identificeren en te onderscheiden. Dit is een belangrijke voorwaarde om spieren te palperen. Het ontdekken en onderscheiden van de botten geeft je een structureel inzicht om een beeld te creëren van de aanhechtingen van de spieren (eerst met je hoofd vervolgens met je handen).

Het vermogen om duidelijk een spier met je hand te voelen (bijvoorbeeld; het onderscheiden van de diepere spinale spieren van de oppervlakkiger gelegen Trapezius en Rhomboideus) is noodzakelijk om de richting van de spiervezels te volgen.

Hierin ligt een andere reden om de botstructuren te leren voelen: het is moeilijk om spiervezels en de richting hiervan te voelen als men niet weet waar de aanhechting van deze spieren ligt.

Kennis van de vezelrichting van zowel de oppervlakkige als dieper gelegen spieren is essentieel om te leren om de verschillende spierlagen te onderscheiden. Daarbij is het belangrijk om voldoende kennis te hebben van andere in het gebied gelegen structuren/ weefsels. Denk aan lymphen in de voor- en achterzijde van de nek.

 

Focus

Gefocuste uitoefening geeft je de vereiste vaardigheid om de dysfunctie die pijn en een oncomfortabel gevoel aan je cliënt geven te begrijpen.

Geoefende handen kunnen niet alleen vaststellen welke spier(en) het betreft, maar als je de richting van de gespannen spiervezels volgt kun je ook een beeld schetsen van de aangeleerde houding(en) die de bron zijn van de pijn.

Bijvoorbeeld: als je de nek en schouders palpeert kun je met je handen ‘zien’ dat de linkerkant een stuk meer ontspannen is dan de rechterzijde. De rechter Sternocleidmastoideus, Trapezius en Levator scapula zijn samengetrokken. Welke houding kan de cliënt aannemen om deze spierspanningen op te roepen?

 

Basisprincipes

Om effectief te kunnen palperen dienen de volgende basisprincipes geoefend en omarmd te worden:

  1. Visualiseer het te palperen gebied.
  2. Ontspan je vingers, handen en armen om volledig contact te maken met het gebied.
  3. Als je palpeert, gebruik dan een zo groot mogelijk gebied van je hand. Palpatie levert meer bruikbare informatie op als je de palm van je hand gebruikt in plaats van enkel je vingertoppen. Als je zoveel mogelijk contact maakt met je palm, krijg je een duidelijker beeld van het gebied.
  4. Identificeer botstructuren in het gebied.
  5. Palpeer elke spier in minimaal twee richtingen:

– met het spiervezel mee, van proximaal naar distaal om zo de spier te lokaliseren.

– dwars op de spiervezels om zo spanning, strakke vezels en triggerpoints te ontdekken.

  1. Pas niet teveel druk toe. De spier dient ontspannen te blijven. Als je de spier voelt aanspannen, geef dan niet meer druk. Diepere druk zal automatisch het lichaam laten aanspannen waardoor je niet goed de onderliggende structuren kunt voelen. Teveel druk zorgt ervoor dat je niet voldoende contact met de spier krijgt waardoor een hoop nuttige informatie wordt gemist.
  2. Palpeer iedere spier bilateraal om direct te kunnen vergelijken. Onthoudt hierbij dat bilaterale spiervezels optimaal gezien, even zacht en soepel dient te zijn, met dezelfde vorm. Door beide kanten te vergelijken kun je gemakkelijk verschil voelen in spanning tussen de ene en de andere kant.

Het is belangrijk om te onthouden dat een cliënt die door de therapeut op de ‘juiste’ plekken wordt aangeraakt automatisch meer vertrouwen ontwikkelt, waarmee een deel van de spanning en angst van de cliënt verdwijnt.

Dit artikel is geschreven door Jay Elfring (1948-2011), een grootheid binnen de wereld van (lichaams)bewustwording en heel even docent van Esoterra.